Het kind als maatstaf van goed en kwaad
13 oktober, 2014 door
Het kind als maatstaf van goed en kwaad
Pro Vita - Gezin&Leven vzw, Dorothea
| Nog geen reacties
Foto

Het kind als maatstaf van goed en kwaad

A.E.M. van der Does de Willebois

Toen Jezus aan zijn volgelingen duidelijk wilde maken wat nu eigenlijk het richtbeeld moest zijn voor hun persoonlijk leven, nam Hij een kind, omhelsde het en gaf het hun tot voorbeeld: "Zo gij niet als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan".
Daar stond dan opeens het kind: als een centrum van de wereld, als een beeld van universele betekenis. Een beeld dat ons het kinderlijke meegaf als maatstaf van alle zelfverwerkelijking. Het werd voor alle tijden de uitnodiging om trouw te blijven aan het kind dat wij waren, aan het vroegste begin, en ons worden daarmee in harmonie te brengen.

Hier ligt weer één van de vele paradoxen van het menselijke bestaan: pas wie zich vereenvoudigt tot een kind, kan hopen werkelijk volwassen te worden, dat is, mag hopen de werkelijkheid te leren kennen en dus te weten waar het in dit leven naar waarheid om gaat. Het is in feite het doden van het kind in ons, de breuk in de continuïteit, waarmee alle ellende begint. Misschien is het wel het begin van alle kwaad.

Zeker is het doden, het doen lijden van kinderen, het eind van alle kwaad. Althans staat er geschreven dat wie ergernis geeft aan één van deze kleinen, beter met een molensteen om de hals in het diepst van de zee verdronken kan worden. Maar waarom zou dit zo zijn? Waarom is dit kwaad geheel en al onvergeeflijk? Waarschijnlijk omdat het kwaad aan kinderen bedreven, in zekere zin het zuivere kwaad is, het volmaakt zinloze, op geen enkele manier meer te begrijpen kwaad omwille van het kwaad. Zolang kwaad zich onder grote mensen afspeelt, kan het zich nog op allerhande manieren camoufleren en met excuses omhullen. Maar aan kinderen voltrokken onthult het zich met zekerheid in zijn afzichtelijke en onverdraaglijke werkelijkheid. Als een oplichten van het masker van de duivel, waarna er geen weg terug meer is. Want wanneer het eenmaal zover is, schijnt de fascinatie door het gemene een grensoverschrijding te hebben gemaakt, waarna er geen andere wil en mogelijkheid meer is dan zich in de zwartste nacht van de diepste afgrond te storten, met de onherroepelijkheid van een molensteen om de hals.

Vandaar dat vele schrijvers die het kwaad in deze wereld onweerlegbaar duidelijk hebben willen maken, steeds weer terecht komen bij het lijden van de kleine kinderen. Een lijden dat ons dan ook met de rug tegen de muur plaatst, met name wanneer het gaat om de alles beheersende beslissing: te geloven, de schepping te aanvaarden - of niet.

In zijn bekende roman verhaalt Dostojewski hoe Iwan Karamasoff zijn vrome broertje Aljosja het bestaan van het kwaad wil duidelijk maken. En wel het kwaad in die vorm van gemeenheid, die onze maat te boven gaat en waarop de naïeve vergevingsgezindheid van de gelovige Aljosja wel onontkoombaar stuk moet lopen. Dan vertelt Iwan drie waar gebeurde voorbeelden van sadisme aan kinderen bedreven.

Het laatste verhaal is dat van de grootgrondbezitter. Voor het front van zijn volledig uitgeruste jachtgezelschap laat hij een nauwelijks achtjarig jongetje dat een klein vergrijp heeft begaan, naakt uitkleden. Dan wordt het opgejaagd door de drijvers; en als het, uitzinnig van angst loopt voor zijn leven, laat hij de honden los die het voor de ogen van zijn moeder verscheuren. 

Niet de geringste van de getuigen zijn het die in de concentratiekampen waren. Wie heeft moeten aanschouwen hoe joodse kindertjes op de rand van een massagraf werden opgesteld en vervolgens met een vlammenwerper werden neergespoten, blijft voor goed een getekende: aangeraakt door de nacht van het kwaad. Getuige van de duisternis van deze wereld, die de geboorte van het Licht wilde verhinderen in de moord op de onschuldige kinderen. Maar het is ook juist dat in de diepste duisternis iemand wonderlijkerwijs tegelijk het grote licht kan zien.

In feite kan men zich afvragen of niet elk kwaad, als het lang genoeg zijn gang kan gaan, eindigt kinderen tot slachtoffer of – wat hetzelfde is – tot deelgenoot te maken. Beide zijn vormen van dezelfde wrede ontluistering van weerloze onschuld en argeloosheid. Aan de manier waarop een volk met zijn kinderen omgaat is het te kennen. 

Men kan zich afvragen in hoeverre het industriële tijdperk bijgedragen heeft tot een diepliggende negatieve houding ten aanzien van het kind – en alle verwenning en ophemeling is daarmee niet in tegenspraak – dat een sta-in-de-weg werd, door hinderlijke zwangerschap, noodzakelijke verzorging, financiële offers, voor de ambities van het volwassen leven. De één stuurde hen naar de fabrieken en de kolenmijnen, de ander stuurde hen de straat op, een derde borg hen op in de kinderkamer, en nu mogen ze niet meer geboren worden.

Intussen echter is het de vraag in hoeverre wij nog bereid zijn, ter wille van de kinderen, het gezinsleven te erkennen en te handhaven. Het natuurlijk milieu van het kind is prenataal de moederschoot en postnataal de schoot van het gezin. Dit is dan ook de voornaamste reden van bestaan van het gezin, dat in verval geraakt naarmate de ouderen eigenbelangen laten prevaleren, welke niet meer verenigbaar zijn met trouw aan elkander en gezamenlijke toewijding aan hun kinderen. 

Zo is in wijder verband de mate waarin het gezin door de sociale structuren gedragen en beschermd wordt, een maatstaf voor de mate waarin kinderen nog van tel zijn. En daarom is ook in dit verband het kind een criterium, een schifting van goed en kwaad, omdat men uit de houding ten aanzien van de kinderen, dat is ten aanzien van het gezin, kan aflezen in hoeverre een samenleving zich al dan niet op de goede weg bevindt.

Het duidelijkst is dit natuurlijk te zien aan de totalitaire ideologieën, die altijd beginnen met zich de kinderen toe te eigenen en hen op te zetten tegen de ouders, met name d.m.v. de staatsscholen en de jeugdverenigingen. Een beproefd hulpmiddel daarbij is het sociaal-economisch bestel zodanig in te richten dat het salaris van de man niet toereikend kan zijn en de vrouw gedwongen is om buitenshuis te gaan werken en dus de kinderen over te laten aan de staatsopvoeding. 

Telkens wanneer een dergelijk systeem, buiten de geschapen orde om, de eeuwige geluksstaat proclameert, dan richt het zich primair met verleiding en vervolgens met dwang tot de jeugd, en tégen de opvoeding van de ouders en de invloed der kerken. En telkens wanneer men op die manier het paradijs aan de hemel wil ontfutselen om het hier en nu te vestigen, dan begint dat met een lichtende revolutionaire droom en eindigt het in duisternis. het begint met een meeslepende belofte van een nieuwe vrijheid en het eindigt met Auschwitz en de Goelag-archipel.

Maar een dergelijk proces van aantasting van het gezin kan natuurlijk ook meer ongemerkt en meer vrijwillig verlopen. Bij ons lijkt dit afbrokkelingsproces te zijn begonnen met de ontwaarding van de vaderlijke autoriteit. Met de kreet: Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid, werd de vaderlijk-hiërarchische – dat is ook goddelijke – ordening ontkracht en verlaten. De pater familias is gedegradeerd tot 'ouwe heer', zo niet erger, en zo zijn wij nu, om met Mitscherlich te spreken, op weg naar een vaderloze maatschappij.

Na de vader was de vrouw, onder het aspect van haar moederlijke gestalte aan de beurt. Alleen al door het wegvallen van het vaderlijk gezag moest haar positie vanzelfsprekend veranderen. Het werd een streven niet naar gelijkwaardigheid, maar naar gelijkheid van de man, en vervolgens naar meerderwaardigheid. In dit kader werd de biologie van de vrouw, aangelegd op zwangerschap en moederschap, min of meer voorgesteld als een door de natuur aan haar bedreven onrecht, en werd het behoeden en verzorgen van gezin en huishouden tot een truttige en misplaatste aangelegenheid gemaakt.

Zo volgde op de degradatie van het vaderschap die van het moederschap. Vandaar was het maar een kleine stap naar het in diskrediet brengen van het huwelijks- en gezinsleven en het onttrekken van de kinderen aan de invloed van de ouders, voor zover deze tegen het ideologisch geluksschema ingaat.

Wat er overblijft in deze richting is een niets-ontziende concentratie op de ik-zoekende cultus van de zelf-ontplooiing, als karikatuur van de zich-gevende zelfverwerkelijking. In dit perspectief is er niet veel plaats meer voor kinderen. Hoogstens voor troetelkinderen, voor kinderen van de rekening. Want iemand moet de prijs voor dit alles betalen. En zoals gezegd, in laatste instantie wreekt alle kwaad zich op kinderen.

Inmiddels zal ik de laatste zijn om te beweren dat er niet alle reden was het absolutistische, patriarchale machtsmisbruik ernstig te bekritiseren en de vaderlijke autoriteit op nieuwe leest te schoeien, te weten die van de persoonlijke waardigheid. Evenmin wil ik zeggen dat er geen goede reden bestond de positie van de vrouw te herzien. En nog minder zal ik ontkennen dat met name de invloed van het moralisme geleid heeft tot moordende huwelijken en verstikkende gezinnen, die een explosie van vrijheidsdrang alleszins begrijpelijk maken.

Wat ik wel heb willen zeggen, is dit. Dat de noodzakelijke kritiek en de begrijpelijke reacties, in regie zijn genomen door een uiteindelijk tegen de mens gerichte ideologie – altijd vult een ideologie het door de godsdienst achtergelaten vacuüm – en dat dit dààr aan te zien is, dat de kinderen het moeten ontgelden.

De aanval op het gezin, die er van het begin af aan in zat, is de aanval op het enige milieu waarin het kind gedijen kan; op de enige plaats waar het ooit iets horen en leren en zien kan van de wezenlijke dingen als liefde en trouw en genegenheid voor elkander. Niet dat dit er altijd in voldoende mate van komt. Helaas niet. Maar het is de enige plek waar het ooit mogelijk is.

Een kind dat opgroeien mag in een harmonisch en liefdevol gezin, zeker in de eerste levensfasen, ontvangt de fundamenten waarmee het later in het leven kan staan, de wereld tegemoet kan treden en zijn integriteit verdedigen kan tegen alle tegenslagen, aanvallen en mogelijke terreur in. Wanneer echter deze eerste levensfase door een verregaande verwaarlozing of verwenning, of door een scheiding bijvoorbeeld een volledig echec lijdt – hetgeen vandaag de dag eerder regel dan uitzondering is – dan laat dit in HET kind, in de latere volwassene, een blijvend gevoel van wantrouwen, angst en zelfonzekerheid, waardoor het zich nooit helemaal in zichzelf en in de wereld thuis kan voelen. Tenzij, kan men zeggen, het deze psychologische orde kan overstijgen in de genade van het geloof.

Met deze gang van zaken voor ogen, is het op het eerste gezicht niet onbegrijpelijk dat men gezegd heeft: alleen gewenste kinderen kunnen gelukkige mensen worden. Maar diegenen die dit beweren vergissen zich, want als een kind beseft – en wat dat betreft ontgaat kinderen niets – dat de liefde en de verdraagzaamheid die het geboden krijgt tot zover gaan en niet verder, zal het méér geloven in de hypocrisie van de volwassen wereld dan in iets anders. Kinderen die merken dat hun leven hen slechts 'bij toeval' gegund werd, omdat zij aan de criteria van de consumentengids voldeden en toevallig geen enkel defect hadden, hebben weinig gelukskansen meer. Zij kunnen zich conformeren en eindigen in zelfverachting: ofwel halen ze wat er te halen valt, ofwel keren ze met een diepe verachting, met een revolver tegen het hoofd, deze welvaartsmaatschappij de rug toe. Het zal hen echter moeilijk vallen het geloof in de liefde en in de trouw te vinden of te herwinnen.

Een samenleving die slechts de gewensten toelaat en zichzelf het recht toekent ongewensten het leven te benemen, heeft daarna niet veel recht meer om over de gevolgen ach en wee te roepen.

Al met al lijkt het spreken over gewenst en ongewenst, wanneer men erover nadenkt, niet in de eerste plaats te maken te hebben met het geluk van een kind. Het is veeleer een consumentenbegrip dat verwijst naar bezit en kwaliteitsproducten, kortom, naar eigen belang, waarin het kind min of meer op één lijn komt te staan met gebruiksgoederen en criteria waaraan zij moeten voldoen. Vandaar dat ik soms geneigd ben om te stellen: een ongewenst kind kan het moeilijk hebben, een gewenst kind heeft helemaal geen leven.

Daarbij denk ik aan een bepaald soort ongerichte, verwennende, bemoeizieke opvoeding, welke resulteert in ongemanierde, overgemanipuleerde en over het paardje getilde kinderen, met wie men nog maar moeilijk een echt contact kan hebben. Uiteindelijk berust deze aanpak naar ik meen op eenzelfde soort miskenning of zelfs minachting, als waarvan ongewenste kinderen het slachtoffer kunnen zijn.

Waar het natuurlijk op aankomt, is tussen een onbeperkte tolerantie enerzijds en een onmatige discipline anderzijds, de weg te vinden die een kind in zijn waarde laat en die de erkenning geeft van zijn eigen persoonlijkheid; die de grenzen stelt die het nodig heeft en de eisen stelt die het aankan.

Ik meen nog altijd dat dit het beste lukt aan ouders die tevreden zijn met wat zij zijn en wat zij krijgen, en daardoor in staat zijn tot een redelijke mate van belangeloze liefde. Dat wil zeggen ouders die een kind niet 'nemen' – zoals het moderne spraakgebruik de stand van zaken karakteristiek uitdrukt – maar die een kind 'krijgen'; niet in de eerste plaats omwille van zichzelf, maar omwille van het kind.

Zo kom ik dan terug bij mijn uitgangspunt. Kinderen moeten er zijn en zij moeten welkom zijn. Onafhankelijk van het feit hoe zij zijn en onafhankelijk van het feit of ons dat goed of slecht uitkomt. Zij moeten niet gewenst zijn en niet ongewenst. Zij moeten er zijn om wat zij zijn. En zoals zij ons zijn toevertrouwd, behoren zij onbevooroordeeld, dus zonder voorwaarden vooraf, te kunnen worden ontvangen. Dan helpen zij onszelf op te voeden tot waardigheid, naarmate wij hun respecteren en in hun waarde bevestigen. Dan zijn er nog allerlei fouten mogelijk, maar niet meer dat zij opzettelijk gekleineerd en vernederd worden. Het beste is dat wij hen een voorbeeld geven, waarin wij voor onszelf het kind als voorbeeld nemen. We zijn tenslotte allen kinderen van de ene volmaakte Vader die in de hemelen is. Zo is het blijkbaar bedoeld geweest. En zo is ons doen en laten met hen de meest grijpbare maatstaf van ons goed en van ons kwaad.

Juist wanneer men zich realiseert hoe alle kwaad zich ontmaskert in het doen lijden van kinderen, begrijpt men des te beter het omgekeerde. Begrijpt men hoe kinderen niet alleen ons het duister maar ook het licht onthullen: "Wie een van deze kleinen opneemt in mijn naam, neemt Mij op". Dat is de andere kant van de medaille met de molensteen.

In de tijdloze orde waarin het in zijn aandoenlijkheid leeft, is het kind in zekere zin het eeuwige beeld van de mens: 'het geheugen van de eeuwigheid'. Het beeld dat ons als voorbeeld is gegeven in ons streven te worden die wij zijn.

Epiloog
Bij tijden kan alles verloren lijken. Dan loopt u op een heldere dag door een herfstig park en ziet een kindje huppelend naar huis toe gaan. Het beweegt zich in een eigen wereld en is zich schijnbaar van niets bewust – en zeker niet van u – terwijl het bij zichzelf een liedje zingt. Op zo'n moment weet u dat niets werkelijk verloren is en alles altijd nog mogelijk.

A.E.M. van der Does de Willebois, ingekorte tekst gebaseerd op het artikel verschenen in het internationaal Katholiek tijdschrift Communio, 3e jaargang, N° 2, maart april 1978.
Het kind als maatstaf van goed en kwaad
Pro Vita - Gezin&Leven vzw, Dorothea
13 oktober, 2014
Deel deze post
Archief
Aanmelden om een reactie achter te laten

Lees volgende
Haar keuze...